Wolken in het hoofd

Jan Voerman, IJsselschilder (1857-1941)
Als een blauwe lijn, zo loopt de IJssel door het leven en werken van de schilder Jan Voerman. Keer op keer schilderde Voerman de rivier en de weilanden met koeien. Soms loom en verleidelijk, dan weer dreigend en onheilspellend. Maar altijd zijn het op de schilderijen en aquarellen van Voerman de hoogoprijzende lucht en de wolken die het beeld bepalen. Zelfs in de rivier komen zij terug, als een hemelse weerspiegeling, met breekbare, heldere toetsen op het doek vastgelegd. Ooit verontschuldigde Voerman zich tegenover zijn vrienden: “Ach, weet je, die wolken zijn in werkelijkheid nooit zo, zo ben ik van binnen!”
Jan Voerman werd in 1857 in Kampen geboren als zoon van een stadsboer. Als grootburger had zijn vader het recht vee te weiden in de Meent, de gemeenschappelijke weiden buiten de stad. Het lag voor de hand dat ook hij in de voetsporen van zijn vader zou treden. Maar het werd al vroeg duidelijk dat de jonge Voerman, in plaats van een boerenaandacht voor grond en vette klei, vooral oog had voor de wijde wereld om hem heen en bovendien het talent dit vergezicht in tekeningen vast te leggen. Toen zijn moeder eens ziek was, gaf zij hem de witte poederbriefjes waarin haar medicijnen waren verpakt om op te tekenen. Jan schetste op de wikkels de boeren uit de omgeving: de welgestelde boer met zijn door twee paarden getrokken wagen vol met emmers melk, de wat minder rijke boer met een wagen getrokken door één paard, het keuterboertje met de hondenkar en ten slotte de arme drommel met de handkar. Voermans talent bleef niet onopgemerkt en hij werd toegelaten tot de Rijksacademie voor Beeldende kunsten te Amsterdam. Na zijn academietijd vestigde hij zich daar als zelfstandig schilder. Maar het land van de IJssel liet hem niet los. In de zomermaanden trok hij naar Kampen om daar het rivierlandschap vast te leggen. In 1889 trouwde hij met Anna Verkade, dochter van de oprichter van de bekende koekjesfabriek. Het stel vestigde zich in het Gelderse Hattem, om er nooit meer weg te gaan. Vanuit zijn huis aan de Gelderse Dijk liep Voerman dagelijks naar de IJssel om daar het eeuwig van kleur wisselende landschap vast te leggen. Ook als het weer slecht was bleef hij tekenen. Later vertelde hij: “Ja, ik heb het gedaan. […] ’s Zomers dag aan dag aan de IJssel gezeten, soms was ’t zulk weer dat de schippers van de schepen af riepen: ‘Ie mot nao’ uus, meneer…!’ Maar ach, ’t was mooi en dan bleef je zitten, hè!”
Het is tragisch dat juist de kijker Voerman op het eind van zijn leven slechtziend werd. Het dwong hem met schilderen te stoppen. Kort voor zijn dood in 1941 vertelde Voerman: “Als ik maar buiten was, op de wei zat, dan viel alle narigheid van me af […], dan was ik léég. En als je dan bedenkt dat je hand doet wat je daar in je hoofd hebt, dan heb ik geen ander wonder meer nodig, dat is me wonder genoeg!” Het speet hem dat er in de loop der jaren veel schoonheid had moeten wijken voor de verworvenheden van de nieuwe tijd. “Maar aan de lucht” – voegde hij er, zichzelf troostend, aan toe – “kunnen ze Goddank niet raken en de lucht, die moet het tenslotte doen!” De dichteres Ida Gerhardt bracht jaren later met een mooie omkering een passende hommage aan de IJsselschilder:
Herkenning
’t Wordt voorjaar langs de IJssel bij Veecaten.
Wolken en licht, in wisselende staten,
scheppen een Voerman: een opalen zwerk
dat hemels is en Hollands bovenmate.
Ooit ging Voerman zijn laatste keer naar de IJssel, hij zal het zelf niet hebben geweten. Er wordt wel gezegd dat er voor elke gestorven ziel een ster aan de hemel verschijnt. Voor Jan Voerman is dat een wolk.